|
De tekst komt uit het boek: Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij van Aad Schol ISBN 90 6013 056 1 Uitgever De Alk bv Alkmaar 1998 "Amsterdam ligt niet aan zee, en ook niet aan de Rijn. Die stad heeft zich, misschien juist daarom, veel moeite gegeven om verbindingen met de zee én met de Rijn te verkrijgen en te behouden. Het is in de loop der jaren noodzakelijk geweest veel z.g. kunstwerken in beide richtingen te bouwen. Sommige daarvan zijn nu volkomen verouderd, zoals het eens zo bewonderde Noord-Hollands kanaal. Steeds weer heeft de grote koopmansstad er voor gezorgd, dat, indien dat noodzakelijk was, de nieuwe kunstwerken er kwamen. Mede daaraan is het te danken dat Amsterdam geen `dode' stad is geworden", aldus Dr. J.M. Fuchs in zijn werk 'De Amsterdamse Beurtvaart'
Reeds vanaf enige jaren na haar oprichting was de KNSM directie zich bewust van de noodzaak van een goede verbinding via het water tussen Amsterdam en de Rijn en vervolgens met het achterland. Ook de Amsterdamse Kamer van Koophandel was zich hiervan bewust en meldt in haar jaarverslag van 1892 dat er geen voeding voor de regelmatige stoombootlijnen is zonder meerdere aanvoer van de Rijn, en dat er geen meerdere gelegenheid tot verscheping naar de Rijn is zonder aanvoer van aanzienlijke hoeveelheden goederen, door de regelmatige stoomvaartlijnen aangevoerd. Gedurende vele jaren was het aandeel van de Amsterdamse Rijnvaart hierin bescheiden geweest. Het vervoer van goederen op de Rijn langs Lobith was in de periode tussen 1840 en 1877 in opwaartse richting vervijfvoudigd en afwaarts zelfs verzesvoudigd. Door de slechte verbinding met de Rijn was het Amsterdamse aandeel daarin teruggelopen: van 31 % in 1840 tot 3% in 1875. Mede dankzij de opening van het Merwedekanaal in 1892 en het gereed komen van de Middensluis in IJmuiden in 1986 nam de hoeveelheid produkten die via de Rijn naar Holland kwam én de overzeese goederen die via Amsterdam verder verscheept moesten worden, in hoog tempo toe. In 1890 werd voor Amsterdam in- en uitgeklaard 170.000 ton; in 1892 werd de 200.000 ton overschreden; vier jaar later werd de 300.000 tons grens gepasseerd en in 1899 kon men 504.000 ton noteren, waarin vooral hout en erts een belangrijke plaats innamen. De officiële instanties, welke in die tijd bemoeienis hadden met de Rijnvaart, waren niet tevreden. De Amstel-Rijn-Main-Stoombootmaatschappij en de Amsterdamse Rijnbeurtvaart welke tot dusverre de diensten onderhielden, waren niet in staat om het vervoer te verlevendigen. KNSM met haar eerder in dit boek genoemde lijnen: de Hollandsche Stoomboot Maatschappij met haar verbindingen met Engeland en de in 1899 opgerichte Zuid-Amerika Lijn hadden het grootste belang bij een regelmatige verbinding met de Rijn. "Op daden komt het aan!", riep de Amsterdamsche Kamer van Koophandel uit, nadat zij in een van haar verslagen had geconstateerd, dat de Amsterdamse Rijnvaart groeide, maar dat die in Rotterdam een nog snellere expansie vertoonde. |
|
Lees meer...
|
|
|
|